Van de redactie

Als mensen elkaar voor het eerst ontmoeten, stellen ze zich vaak aan elkaar voor. Maar bij de roeping van Jezus’ leerlingen gebeurt er iets bijzonders. Zij stellen zich niet voor; het lijkt eerder alsof Jezus hen aan zichzelf voorstelt. Aan Simon vertelt hij dat hij voortaan Kefas zal heten: Petrus, ‘rots’. En nog voordat Natanaël iets tegen Jezus heeft kunnen zeggen, zegt Jezus al: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’

Over kennen en herkennen gaat het vaker in de verhalen van deze periode. We lezen over de Farizeeën die onderzoeken wie Johannes is: is hij soms de Messias? Dat is hij niet, zo vertelt Johannes. En niet veel later herkent hij in Jezus de man die verwacht werd: ‘Daar is het lam van God.’ We lezen ook over de bruiloft in Kana, waar Jezus met zijn eerste wonderteken iets van zichzelf kenbaar maakt. En in februari lezen we verschillende zondagen over Lazarus, de vriend van Jezus die wordt opgewekt uit de dood.

De vraag ‘ken je mij?’ sluit aan bij herkenbare ervaringen van kinderen. Zij wordt gekend door mensen om hen heen: hun ouders, vrienden, opa en oma. En soms blijkt er ook iemand te zijn die jou een beetje kent, omdat hij over jou gehoord heeft: bijvoorbeeld een collega van je ouders, die weet hoe je heet en wat je doet. Al die ervaringen van gekend worden, kunnen het vertrekpunt zijn van een ontdekkingstocht naar het geheim dat in psalm 139 zo bijzonder verwoord wordt: dat God ons kent, misschien wel beter dan wij onszelf kennen.

Ik wens u en de kinderen weer veel inspiratie rond de verhalen van deze periode!

Met vriendelijke groet,

Erik Idema,
Hoofdredacteur Kind op Zondag